feb 062013
 

De trein naar Sasaram was zelfs voor Indiase begrippen laat. We waren dus voor niets heel vroeg opgestaan. Ook omdat ik mij door een voedselvergiftiging niet zo lekker voelde, hebben we de trein geannuleerd (dat kan hier kosteloos bij meer dan drie uur vertraging) en de trein naar Varanasi de volgende dag, nog vroeger, geboekt (220 km; ruim 4 uur). Gelukkig waren er nog enkele bedden in de ‘sleeper’ klasse (SL), maar niet meer bij elkaar (maar wel in dezelfde wagon). De spoorwegen vervoeren hier per dag ongeveer net zoveel mensen als alle inwoners van Nederland!

Na een dagje rust ging het gelukkig wat beter. Het kostte enige moeite om te weten te komen waar onze wagon zich bevond. Aangezien de treinen heel lang zijn en soms maar kort stoppen, is dat zinvol om van tevoren te weten. We hadden er alleen niet op gerekend dat de trein van de andere kant kwam dan de voorgaande. Uiteraard moesten we mensen van onze gereserveerde plaatsen wegjagen. Geen probleem, want ondanks dat hier alles ongeorganiseerd is, zijn de mensen erg gevoelig voor officiële papieren, zoals een treinkaartje, en autoriteit. De trein ging netjes op tijd weg en kwam maar ietsje te laat aan. Leuk was dat we met daglicht de Ganges over een grote ijzeren spoorbrug overstaken.

We lieten ons door een autorickshaw naar Assi gath, de rustigste en laatste gath brengen. Na een stukje stroomafwaarts lopen, kozen we Shanti rest house bij Hanuman gath als overnachtingsplaats. De kamer is eenvoudig, maar prettig. We hadden uitzicht op de sfeervolle, ’s ochtends vaak mistige Ganges. Jammer dat er ’s nachts veel rook naar binnen kwam. De volgende nacht sliepen we dan ook in een kamer wat verder naar achteren. ’s Ochtend werden we wakker van de bellen van de tempels, die hier om de zoveel meter langs de Ganges liggen.

Stel je bij Varanasi een middeleeuwse stad voor, waar het vee losloopt en voeg daar veel toeterende en bellende (brom)fietsen en, waar de straten breed genoeg zijn, fiets- en autorickshaws (tuk-tuks) aan toe. Vrijwel alle gebouwen zijn slecht onderhouden. De straatstenen liggen vaak los en je moet uitkijken dat je niet in een koeienvlaai stapt. Op sommige plekken liggen pannekoekjes koeienvlaai te drogen, waarschijnlijk als brandstof.

Als toerist word je hier continu lastiggevallen: “how are you?“, “where are you from?“, “what is your name?“, “hello, hello, HELLO, HELLO“, “massage?“, “boat?“, “cheaper” (hier synoniem voor cheater), of bijzonder bijdehand “do you remember me from yesterday?” en je moet uitkijken dat je niet ongevraagd een rode stip op je voorhoofd krijgt, met maar één doel: roepies.

Het is een genoegen om langs de vele gaths te slenteren waar mensen zich wassen in het voor hen heilige water en waar massaal lijken worden verbrand. ’s Avonds drijven er schaaltjes met bloemen en vuurtjes in het water. Het is leuk om je net als velen met een roeibootje een stukje over de rivier te laten brengen. Ik moest erg lachen om een roeibootje met een meisje dat allerlei waren te koop had. Ook op het water ontkom je dus niet aan de verkopers.

We bezochten wat bekend staat als de oude stad, waar vele kleine steegjes je snel laten verdwalen als je geen GPS hebt. We kwamen langs de gouden tempel, waar lange rijen mensen stonden te wachten. Als niet-Hindoe mag je er, zoals zo vaak, niet in. Hier was veel militaire bewaking, wat we nog niet eerder zagen.

Het klimaat in Varanasi is nu heel aangenaam. Het is prettig om gewoon een poosje op het hoge dakterras van het hotel te zitten en van het uitzicht op de Ganges te genieten. Het eten van het hotel was prima en de menukaart uitgebreider dan wat je op straat kon krijgen. Het wordt door een aardige kok vers bereid. Er is een vogelkooitje met drie parkietjes die vrolijk kwetteren.

Hoewel we dat niet gepland hebben, is het nu de bedoeling dat we na een paar tussenstops de Taj Mahal gaan bezoeken. We kunnen altijd met een nachttrein weer relatief snel terug naar Kolkata.