Jun 122016
 

We zagen dat de bus van Huamachuco naar Trujillo grondig met water werd schoongemaakt. De bagage werd van genummerde “boletos” (tickets) voorzien, zodat niemand jouw i.p.v. zijn bagage kon meenemen, en ingeladen, samen met de te transporteren goederen. De bus verliet pas na drie kwartier het stadje, omdat overal nog passagiers opgepikt moesten worden. We reisden een poos over een hoogvlakte van ruim 4200 meter via een bochtige, redelijk goede weg. De chauffeur reed echter niet heel subtiel en na een poosje werden plastic zakjes uitgedeeld voor de wagenzieke passagiers. Omdat er ook nog een lunchpauze van ruim 15 minuten was, tegen de zin van veel passagiers in, kwam de bus ruim een uur te laat in een buitenwijk van Trujillo aan. Mede omdat we al een lange reis van vijf uur achter de rug hadden, maakten we het ons gemakkelijk en lieten we ons met een taxi naar het nabije kustplaatsje Huanchaco brengen. De taxichauffeur probeerde een bekend trucje: net doen of hij geen wisselgeld had. Jammer genoeg voor hem spaar ik altijd wisselgeld op.

Huanchaco is een vrij toeristisch plaatsje, voornamelijk voor de inwoners van het nabije Trujillo, maar ook voor enige westerse toeristen op zoek naar een plaats om te surfen op lange golven. H. merkte op dat westerse meisjes die ze zag niet erg gelukkig keken. Misschien vond hun vriendje surfen belangrijker? Wij vonden Huanchaco in ieder geval ook niet erg aantrekkelijk, zeker niet in vergelijking met het meer authentieke Pacasmayo, waar we eerder waren en waar we op de terugweg van Chiclayo wellicht weer naartoe terug zullen gaan. Op straat rook het op veel plaatsen onprettig en het toeristische karakter maakt de sfeer ook meer afstandelijk. Je zou het plaatsje zelfs verloederd kunnen noemen, hoewel dat een relatief begrip in Peru is. Niettemin hadden we op straat een leuk gesprek met een inwoner, die vertelde over zijn jeugdige avonturen als “huaquero” (grafrover) in de heuvels van Huanchaco. De archeologische vindplaats Chan-Chan, die we in een ander jaar bezochten, is nabij, maar eigenlijk is de hele omgeving vol met zulke vindplaatsen.

We kozen voor deze kustplaats omdat we geen zin in de drukte van Trujillo hadden (>700.000 inwoners) en omdat we van de oceaan wilden genieten.

We aten een matige, vegetarische pizza, waarvan één van de ingrediënten “Zapatilla Italiana” (Italiaanse schoen) genoemd werd: courgette. Ik vroeg naar een Cusqueña Negra (donker bier) en mij werd verteld dat ze dat niet hadden, maar dat het geen probleem was om die te kopen in de “bodega” (klein winkeltje, hier bijna allemaal met verkoop door tralies) aan de overkant. Toen ik terugkwam, stonden de glazen al klaar. Overigens waren er veel drankwinkels, wat ook iets zegt over de algemene sfeer.

We sliepen in de gezellige en gastvrije hospedaje Giovi, dat gevestigd is in hetzelfde gebouw als een internetcafé. Door één van de jongens in het internetcafé werd “profesora”, de eigenaresse van het gebouw, geroepen om ons te woord te staan. De muren van de kamer waren in de kleur gebrande siena geverfd. De volgorde in oplopende prijs/luxe is in Peru in het algemeen: hospedaje, hostal, hotel.

Het is nu wetenschappelijk bewezen dat als je veel fotografeert tijdens een reis, en waarschijnlijk ook wel als je veel schrijft over je reis, je meer geniet van je reis.

Internet: LTE en zwak Wi-Fi (ver van het access point). De foto’s zijn in de nacht maar gedeeltelijk bijgewerkt.

Jun 102016
 

Op de “mercado” (markt; in grotere plaatsen meestal gevestigd in een groot gebouw) van Cajabamba aten we een broodje gebakken ei als ontbijt. De Peruanen eten ‘s ochtends warm, of eigenlijk worden alle maaltijden warm gegeten, hier o.a. “cabeza” (kop), in dit geval schapenkop die afgekloven werd. Eet smakelijk!

Met één van de “carros” (gedeelde taxi), die naast het politiebureau vertrekken, reisden we in minder dan anderhalf uur naar Huamachuco (3180 meter) door een prachtig groen berglandschap. We passeerden vele bruggetjes, waaronder een aantal oude houten bruggetjes met loszittende planken, waar ook “gewoon” een bus overheen gaat. We werden bij een autovrije hoofdstraat afgezet, die eindigt op het centrale plein. In deze straat verzorgt de “municipalidad” (gemeente) gezellige muziek met grote boxen die om de zoveel meter boven de straat hangen.

We vulden onze voorraad limoenen en bruine rietsuiker aan, die we gebruiken voor zelfbereide “té de manzanilla” (kamillethee). Zo krijgen we ook wat extra vitamine C binnen. We aten bij een leuk, christelijk vegetarisch restaurantje, wat goed is voor de afwisseling (het eten dan).

In de voormiddag bezochten we het gratis gemeentemuseum, waar met name keramiek, maar ook enige mummies, van de archeologische vindplaatsen in de buurt worden tentoongesteld. Het museum is niet groot, maar was zeker de moeite waard. Ik kon geen buitenlanders in het gastenboek vinden.

In de namiddag bezochten we de nabije archeologische vindplaats Wiracochapampa (ca. 800 na Christus) met een mototaxi. De vindplaats ligt in een vallei op ongeveer 3030 meter hoogte. Het weer was dreigend, wat enige mooie foto’s opleverde. We waren de enige bezoekers. Een bezoek aan deze vindplaats was zeer zeker de moeite waard. Een bezoek van een half uur, zoals het bureau voor toerisme aanraadde, is veel te kort, vooral als je buiten de aangelegde paden gaat. 😉 Op de terugweg in de mototaxi regende het hard, het water gutste over de hellende straten, maar daar hadden we gelukkig geen last van. We lieten ons dichtbij de deur van het hostal afzetten. De regen was inmiddels gestopt.

We kochten ruim van tevoren “boletos” (tickets) voor de Tunesa bus zondag om negen uur naar Trujillo, zodat we gunstige plaatsen voorin hadden.

We overnachtten in het uitstekende, zeer betaalbare hostal Plaza aan de rand van het centrale plein (waar anders?). Er was zelfs een Daewoo “frigobar”, die hebben we in Peru in goedkopere hotelletjes nog nooit eerder gezien. Andere details: spaarlampen, wc-rol houder, keramische wastafelkraan, intercom, geen verkalkte douchekop. (Het water in de bergen is mineraalrijk, getuige onze verkalkte dompelaars.) De vriendelijkheid en kwaliteit van de toeristische informatie liet echter wel te wensen over.

We hadden een mooi uitzicht op het plein, dat het grootste/mooiste van Peru schijnt te zijn. Er zijn in diverse vormen gesnoeide buxus struikjes en zorgvuldig onderhouden bloemperken. Het plein wordt verbouwd, want het moet natuurlijk wel het mooiste van Peru blijven.

‘s Avonds deelden we een pizza mediterranea “mediana” (acht punten). Een pizza is veilig eten, want alles is goed verwarmd geweest. In het algemeen is de hygiëne in Peru in de loop van de tijd verbeterd, maar het blijft oppassen wat en waar je eet.

De volgende dag zochten we naar een “combi” naar de archeologische vindplaats Marcahuamachuco. We werden geholpen door een aantal vriendelijke agenten die zelfs een mototaxi voor ons regelden naar de juiste “parada” (halte). Er waren nog maar erg weinig passagiers bij de combi en het was onduidelijk of de combi naar de juiste plek ging en wat de kosten waren. We besloten terug te lopen naar de brug over de rivier, waar de weg naar de vindplaats afsplitst. We kwamen te weten dat het mogelijk was om met een mototaxi naar de vindplaats te gaan en wat dat ongeveer zou moeten kosten. We onderhandelden met een naar zweet ruikende mototaxichauffeur. Hij bracht ons in ca. 20 minuten naar het voetpad omhoog naar de vindplaats. Het was een aardige klim naar zo’n 3580 meter over een rotsachtig pad, dat steeds de veel langere weg naar boven kruiste. Ongeveer een uur later waren we boven. We schreven ons in het gastenboek in. Volgens het gastenboek komen hier maar heel weinig toeristen. De meeste bezoekers zijn Peruaanse jongeren. We volgden het “circuito”, zodat we de belangrijkste ruïnes zagen. We namen vele foto’s met grote wolkenpartijen en vergezichten. Het circuit, dat niet echt rondliep, eindigde bij het voetpad omhoog. We daalden af in de hoop een auto of mototaxi tegen te komen. We liepen al een stuk over het lager gelegen geasfalteerde deel toen we een lift van een SUV met een open achterbak kregen. De jongeren die voor ons liepen kregen ook een lift. Het was ongemakkelijk achterin, maar beter dan vier kilometer over asfalt lopen. Na een minuut of tien werden we bij de rivier beneden afgezet. Over een voetgangersbrug waren we weer snel op de plaza en gereed voor een wat late lunch.

Het resultaat van de verkiezingen is dat Pedro Pablo Kuczynski (PPK) met een zeer kleine meerderheid (50,1%) gewonnen heeft en dat de partij van Keiko Fujimori de meeste zetels in het Congres heeft. Veel armere Peruanen hopen op “progreso” (vooruitgang) en “cambio” (verandering). De wat meer ontwikkelde Peruanen weten dat het allemaal niet zo snel zal gaan en dat niet alle beloftes ingewisseld zullen/kunnen worden.

De snelst groeiende economieën van dit moment zijn China, India, Mexico en Peru. Peru telt ruim 30 miljoen inwoners, waarvan 78% (!) in een stad woont. 15% is blank, 37% is mestizo (gemengd), 3% is Aziatisch en 45% is “indígena”, hetgeen het hoogste percentage in Zuid-Amerika is. De bevolkingsdichtheid is ongeveer 24 mensen per vierkante kilometer. (Nederland heeft ruim een 16x hogere bevolkingsdichtheid.)

Internet: HSDPA, langzame, instabiele Wi-Fi verbinding. (De foto’s konden niet bijgewerkt worden.)

Hopelijk hebben we later geen last van de Air France stakingen. Een interessant achtergrondartikel.

Jun 092016
 

Na een fruitontbijt met een graan-sojadrank zocht ik een taxichauffeur die wist waar “combis” (minibusjes) naar het dorpje Namora vertrokken. Het personeel van het hostal wist het niet / was niet erg duidelijk, maar misschien hadden ze daar belang bij, want ze verkochten ook tours naar o.a. Namora. We houden niet zo van tours, want het komt er meestal op neer dat je in te korte tijd naar teveel plaatsen wordt gesleept en er dus niet echt van kunt genieten. Ook kun je vaak niet de plaats waar je wilt eten vrij kiezen. Ik vond snel een taxi en we waren snel bij de combis. Ik denk dat we in een goed ritme zaten, want we vulden weer de laatste twee plaatsen van een combi op. (Eén van de plaatsen was afgezegd, want de naam was doorgestreept.) Onderweg stapte een vrouw met een jong kindje uit, dat ze moeiteloos op haar rug slingerde en vastzette met een doek.

Ongeveer een uur later waren we in Namora (2730 meter), een klein stadje dat de hoofdstad van een district is (de kleinste onderverdeling van Peru). Met wat hulp hadden we snel een gitaarbouwer met de naam Wilmer Cortez gevonden. Hij bestudeerde onze in Lima gekochte gitaar zorgvuldig en zei dat één van zijn drie broers hem gebouwd had. We stelden vragen en kregen uitleg en voorbeelden en leerden zo wat over het bouwen van een gitaar. Hij bouwt ongeveer één gitaar per week die aan “Lima” verkocht wordt voor ongeveer 300 sol (ca. 80 euro). We wandelden nog wat verder door het dorpje dat in Peru bekend staat om zijn kundige gitaarbouwers. We bezochten nog een andere “taller” (werkplaats), waar een wat oudere man met een ijzerzaag stukjes van een bot van een koe aan het zagen was voor de brug (bij de kop) van een gitaar. Bij weer een andere werkplaats zat een man buiten gitaren te lakken met sterk geurende “laca cristal” (kristallak). Veel van de huisjes in het dorp zijn nog (gedeeltelijk) gemaakt van adobe (gedroogde, gecraqueleerde aarde met stro).

Nadat we wat gegeten hadden, wachtten we op het belangrijkste kruispunt van het dorpje op een passerende combi naar het stadje San Marcos. Er stond een vrouw wol te spinnen. We hoefden niet heel lang te wachten, want al vrij snel kwam er een combi langs waar twee mensen uitstapten, zodat wij konden instappen. De combi reed door een vriendelijk groen berglandschap met veel landbouw. De aarde is hier rood van kleur. Ongeveer een uur later kwamen we in de hoofdstad van de provincie (een stap groter dan een district) aan. Omdat het stadje niet echt interessant was, besloten we om door te reizen naar de wat grotere stad Cajabamba. De familie van een winkeltje hielp ons met het vervoer en bood ons ook een plaats aan om te wachten. We genoten van “Musica Criolla Peruana”, oude Peruaanse walsen. Een passerende combi was helaas vol, maar ongeveer een uur later passeerde er een kleine bus (29 zitplaatsen) met plaatsen achterin voor ons. Er werd teveel geld gevraagd, maar dat kwam goed met een kleine onderhandeling. De man naast mij had oude, versleten kleren aan en stonk naar vlees. De warme bus stopte af en toe om mensen in en uit te laten stappen. Nu en dan werd er een kleine ijzeren ladder tevoorschijn gehaald om spullen van het dak te halen. Na bijna twee uur en enige spannende, smalle bruggen kwamen we in het grotere, maar niet heel drukke Cajabamba (2600 meter) aan.

We sliepen in een schone, ruime kamer met voldoende meubilair in het comfortabele hotel La Casona, waar we vriendelijk werden ontvangen. De douche had zelfs een goed werkende schuifdeur. Meestal spettert het water maar alle kanten op. Het warme water werd verzorgd met een “sistema solar” (zonneboiler) dat goed werkt. Ook was er voor de verandering een wc-bril aanwezig, die ook nog eens netjes vastzat.

‘s Ochtends kookten we eitjes met onze dompelaar. Ik kocht er de avond ervoor drie voor een sol (iets meer dan 25 cent). Ik vroeg ook naar de prijs van twee eitjes en dat was 60 centimos, duidelijk afgerond in ons voordeel (1 sol = 100 centimos). Alles is hier overigens goedkoper dan elders. De grote vruchtbare Condebamba vallei met vele “campesinos” (landbouwers) zal hier wel wat mee te maken hebben.

‘s Middags liepen we op ons gemak door de hoofdstraat, een winkelstraat zonder verkeer. H. liet haar haar knippen. We vulden onze koffievoorraad aan, ditmaal van het merk Cafetal. Achterop staat “café arábico peruano”. In kleine plaatsjes is gemalen, gebrande koffie nauwelijks te krijgen. De meeste mensen gebruiken hier oploskoffie. We zagen een “viringo” (Peruaanse naakthond) spelen met een andere hond. We aten op de markt, die gevestigd was in een gebouw met een mooi vormgegeven dak. De soepgroenten werden op heel aparte wijze gepresenteerd. Later in de middag verkenden we een lager deel van het stadje. We kwamen langs een “cementerio” (begraafplaats) en langs een recent geopende kunstgalerij met lokaal gemaakte schilderijen. De huizen in dit stadje zijn soms van moderne materialen gemaakt en soms van adobe of een combinatie van beide.

We kochten voldoende beltegoed voor de rest van de reis in een kledingwinkel. Internet kost bij de provider Claro 1 sol per dag (iets meer dan een kwartje per dag), als je iedere drie dagen een bundel van 50MB voor drie sol koopt. Je kunt een aantal bundels vooruit kopen, zodat je er niet te vaak naar om hoeft te kijken. De “chip” (SIM-kaart) kochten we in Lima voor slechts 6 sol (~1,75 euro). In Cajabamba is er HSDPA beschikbaar. De Wi-Fi verbinding van het hotel was matig. Het bijwerken van de foto’s is niet volledig gelukt.

Deze dorpjes en stadjes op deze route worden nauwelijks door toeristen bezocht. Door de vallei ligt de temperatuur hier wat hoger dan in Cajamarca en is het heel aangenaam.

Jun 062016
 

Geduldig wachtten we op de “terminal terrestre” (busstation) op de “bus cama” (letterlijk: bedbus) van “2:00PM” van Pacasmayo aan de kust naar Cajamarca (2750 meter; ca. 250.000 inwoners) in de bergen, die uiteraard wat te laat was (20 minuten). We hadden wat extra betaald (10 sol = ca. 2,75 euro per persoon) voor de luxe stoelen onderin de bus (slechts 12 plaatsen), zodat we een keer ruim en comfortabel konden reizen. Extra luxe was de airco en, na het ongeluk van de vorige dag, veiligheidsgordels. Onderin betekent ook minder geslinger in de bochten. Van de vele haarspeldbochten bij de bergpas (ca. 3250 meter) naar Cajamarca hadden we weinig last. Een nadeel is wel dat je wat meer afgesloten van de buitenwereld bent en minder door de enigszins geblindeerde ramen kunt zien. H. wist van niets, maar stelde het wel op prijs. De bus was weer van de goede maatschappij Emtrafesa. In de bergen hadden we ongeveer drie kwartier oponthoud door “obras” (wegwerkzaamheden). Dit komt overigens frequent voor in de bergen. Tegen acht uur ‘s, na 5,5 uur, kwamen we redelijk uitgerust in het donker in Cajamarca aan.

We vergeleken twee hostals en twee chifa’s met elkaar met dezelfde ervaring: en wereld van verschil voor dezelfde prijs.

H. at “pato” (eend) met verse ananas en heel verrassend paprika, wat in een zoete saus een goede combinatie is. We dronken er verse “limoenada” bij.

We sliepen in hostal Plaza in een zeer ruime en schone hoekkamer voor een schappelijke prijs, waar ik nog wat vanaf kreeg door een lagere prijs dan gevraagd vol te houden.

De volgende dag gingen we na een lekker fruitontbijt met een havermoutdrank in een klein vegetarisch restaurantje naar de archeologische vindplaats Kunturwasi. We lieten ons, om tijd te sparen en niet te hoeven zoeken, met een mototaxi naar de plaats brengen waar “combis” (mini/microbusjes) naar het dorpje San Pablo vertrekken. We hadden geluk, want een “carro” (gedeelde taxi) had nog twee passagiers nodig om te vertrekken en daarom kregen we de rit aangeboden voor de prijs van een combi. De rit duurde ongeveer anderhalf uur en ging door een mooi, groen berglandschap over een pas van ruim 3750 meter hoog. Er was een sparrenbos en er waren heerlijk geurende eucalyptusbomen. Op verzoek werd er even gestopt om te plassen. De “carro” zette ons bij wijze van extra service voor het museum aan de voet van de heuvel met de archeologische vindplaats af, wat ons de rit vanuit het dorpje bespaarde. In verband met het weer (kans op regenbuien) besloten we eerst de vindplaats te bezoeken. Over het aangelegde pad achter het museum, met aan weerszijden gesnoeide (gekapte) aloë veras, beklommen we de heuvel. De vindplaats is niet groot en niet spectaculair, maar wel interessant en mooi gelegen. De uitzichten en de natuur waren bijna alleen al de moeite waard. Er waren veel felgekleurde bloemen, boompjes, vogels en vlinders. Doordat het halfbewolkt was, was het gelukkig niet heel warm. Het museum was ook meer dan de moeite waard. Er zijn heel wat voorwerpen gevonden, waaronder veel keramiek, muziekinstrumenten en diverse voorwerpen van koper, bot en schelpen en veel goud, zoals oorbellen en kronen. De vierkantige figuren lijken wat op die van Maya’s. Een andere opmerkelijke overeenkomst was het gebruik van de giftige, rode kleurstof cinnabar. We lieten ons naar het dorp terugbrengen met een mototaxi, die moeite had om de lange klim naar boven te maken en erg naar uitlaatgas rook. De combi stond bij wijze van spreken op ons te wachten om ons terug naar Cajamarca te brengen. Volgens het gastenboek van Kunturwasi waren er de afgelopen drie dagen geen bezoekers geweest en was het tweeënhalve week geleden dat buitenlanders (Duitsers) de vindplaats bezochten. Dat is jammer, want de vindplaats is zeker een bezoek waard en het zorgt ook voor economische ondersteuning van het nabije dorpje, o.a. in de vorm van werkgelegenheid. Japanners hebben de opgravingen in het verleden gefinancierd/uitgevoerd.

De slogan van de dag was: ‘Je kunt altijd nog thuisblijven ;-)”.

Cajamarca, misschien wel de mooiste stad van Peru, is in deze tijd van het jaar niet koud, hooguit ‘s avonds wat fris. Een trui/vest was genoeg om warm te blijven. De temperatuur was minimaal 5 en maximaal 15 graden Celsius, met kans op wat regen (halfbewolkt). Overal zijn er winkeltjes die melkproducten, waaronder kaas, verkopen. De omgeving is een soort klein Zwitserland.

In Nederland zijn we gewend om vrijwel altijd dekking voor onze mobieltjes te hebben. In Peru, het twintigste grootste land van de wereld, is dat simpelweg onmogelijk. Langs een weg is er alleen dekking nabij steden en soms bij dorpjes als er meerdere bij elkaar in de buurt zijn. In dorpjes kun je ook de pech hebben dat net jouw provider daar geen diensten levert.

De foto’s zijn weer bijgewerkt.

Jun 052016
 

Met een kleine, gele taxi lieten we ons naar de plek in Trujillo brengen waar “colectivos” vertrekken naar het kustplaatsje Pacasmayo, ongeveer halverwege naar de noordelijker gelegen grote stad Chiclayo. Vanwege de verkiezingen, een mooie, maar onredelijke smoes, was de prijs van de rit verdubbeld. Er waren ook haast nog geen passagiers. We liepen een stukje verder langs de Pan Americana naar de “grifo” (benzinestation), waar bussen van “empresa” (maatschappij) Emtrafesa richting Chiclayo langskomen. We hadden geluk, want er waren nog twee plaatsen in de bus van tien uur vrij, gewoon voor de normale prijs. De uitstekende bus, met film onderweg (Spaans nagesynchroniseerd), vertrok 20 minuten te laat. Een agent die ook met deze bus meeging, wond zich daar aardig over op.

Onderweg reed de bus een personenauto met een grote klap aan. De bestuurster wilde met een veel te lage snelheid de Pan America oprijden. De bus probeerde nog om uit te wijken. De auto tolde in de rondte, waarbij de bestuurster uit de auto in het woestijnzand werd geslingerd en gewond raakte. De auto was zwaar beschadigd aan de achterkant. De politie kwam de zaak opnemen en een ambulance kwam de vrouw en haar kind halen. Beide waren redelijk snel ter plaatse. De aan de voorkant beschadigde bus reed langzaam verder naar het nabije dorpje San Pedro de Lloc. We wilden niet wachten op een oplossing van de busmaatschappij, mede omdat onze eindbestemming nabij was, dus liepen naar de plaza de Armas van het dorpje, waar maar weinig te beleven was en ook geen restaurants waren (het was etenstijd). Een meisje uit dezelfde bus wilde ook naar Pacasmayo (ca. 10 km verderop), dus gingen we daar samen met haar en nog een passagier met een gammele, sterk naar uitlaatgas ruikende “carro” (collectieve taxi) van het merk Mitsubishi heen voor slechts een paar sol (kwartjes).

Aangekomen in Pacasmayo kochten we eerst tickets voor de bus naar Cajamarca om gunstige plaatsen te hebben, maar we hadden niet zo heel veel meer te kiezen. Daarna aten we gebakken vis met als voorafje Papa a la Huancaina als lunch. We kregen er een heerlijke, zelfgemaakte Maracujadrank bij.

We verkenden het centrum van het kleine stadje en liepen over de nette “malecón” (boulevard) langs de oceaan, genietend van de oceaan met zijn mooie golfslag. De lange, oude hardhouten “muelle” (pier) op ijzeren poten, waar vroeger een goederentrein overheen reed, mochten we helaas niet op, misschien voor onze eigen veiligheid. Er zijn in de 40’er jaren twee treinstellen in het water gevallen, misschien liggen ze er nog wel. We konden wel onder de steiger en zagen dat de (giet?)ijzeren poten al behoorlijk verroest waren. De pier is gebouwd van 1870-1874 en was oorspronkelijk 743,4 meter lang. In 1924 nam de zee en stuk van de pier terug, zodat de pier nu nog “maar” 544 meter lang is. De Lonely Planet heeft nog wat huiswerk te doen, want de meeste feiten waren fout en blijkbaar is de gids sinds 2005 niet meer bijgewerkt.

Er zijn nog veel oude, charmante koloniale huizen, soms in erbarmelijke staat, in het stadje. De huizen werden hier gemaakt van cement verstevigd met de stengels van “caña” (suikerriet). Gewapend beton op lokale wijze. Bij aankomst zagen we de grote cementfabriek van het stadje.

We bezochten de “mirador” (uitzichtpunt) ten noorden van het stadje, waar we een mooi uitzicht over de stad en de oceaan hadden. Bij het uitzichtpunt was ook een “cementerio” (begraafplaats), waar we een korte blik op wierpen.

We sliepen in het prettige hostal El Duke Kahanamoku (Jr. Ayacucho Nº 44), een hostal vooral bedoeld voor surfers. Als je wilt, kun je er ook surflessen krijgen. De muren waren aan de onderzijde bekleed met bruine vloerbedekking (slim, want daar komen anders de meeste beschadigingen) en daarboven glimmend zandkleurig en appelgroen geverfd. De vloeren waren van grote planken hout gemaakt, hier een daar gezellig krakend. Opmerkelijk: goed bevestigde wc-bril aanwezig.

We wachtten de zonsondergang af in een “hamaka” (hangmat) op dakterras van het hostal.

Omdat er een goede kookgelegenheid was en om niet altijd hetzelfde te eten, kochten we ingrediënten voor een verse pasta met veel groenten bij een grote Tottus supermarkt. Met het keukengerei van het hostal, dat ik eerst zorgvuldig schoonmaakte, bereidden we onze maaltijd, die we in de “comedor” (eet/woonkamer) opaten. We zagen onder het eten de uitslag van de verkiezingen op de televisie. De enigszins rechtse PPK heeft met ongeveer 50,6% van Keiko Fujimori gewonnen. Van Keiko wordt gezegd dat ze niet links of rechts, maar van het geld is.

Pacasmayo is een aangename plaats, zee, zon en wind, om te verblijven, veel beter dan Trujillo, als je daar niets te zoeken hebt. Ook met het oog op de verkiezingen (veiligheid) en een gunstige (korte) weg naar Cajamarca kozen we voor deze plaats. De archeologische vindplaats Pakatmanú is helaas slecht bereikbaar.

‘s Ochtends wandelden we nog langs het strand, mogelijk omdat het eb was, met heel aangenaam weer. We zagen overal kleine krabbetjes wegschieten en een enkele surfer zijn geluk op de golven proberen. We liepen naar de pier, waar ik een praatje maakte met de gemeentelijke opzichter, die ons toch toestemming gaf om de pier voor een klein bedragje (een kwartje) te bezoeken. Ik maakte aardig wat foto’s van de pier, de vissers en de spullen en aan het eind een heleboel pelikanen.

Avontuurlijk reizen is tegelijkertijd aangenaam en onaangenaam. Bussen, taxi’s, etc. kunnen veel te laat, te warm of te koud zijn, stoffig zijn, kleine zitplaatsen hebben, geen ruimte voor je bagage hebben of je bagage kan vuil uit het laadruim komen. Sommige busreizen duren erg lang en/of gaan met grote hoogteverschillen en veel (haarspeld)bochten door de bergen, zodat je moe op je bestemming aankomt, soms op een onprettig tijdstip. Je moet ook altijd opletten waar je uit moet stappen, hoewel je daar meestal goed bij geholpen wordt als je ernaar vraagt. Overnachtingsplekken kunnen vuil en stoffig zijn, te warm, te koud of tochtig zijn en een te hard, te zacht of doorhangend bed hebben. Het sanitair laat in Peru vaak te wensen over (lekkende wc’s en wastafels; een wc-bril ontbreekt vaak). Als je vraagt of er warm water is, moet je ook altijd vragen of dat er de hele dag is, want soms is dat beperkt tot een paar uur in de vroege morgen (totdat het op is). Een elektrische douche geeft, als hij werkt, op elk moment van de dag warm water, maar meestal is dat beperkt tot een dun, lauw straaltje water. Laten we het over de veiligheid maar niet hebben. We hebben het wel eens meegemaakt dat de draden met grote vonken doorbranden. Gebrek aan meubilair is ook onprettig, vooral als het ook vies is, want dan kun je je spullen nergens neerleggen. Wanneer je kakkerlakken en andere insecten eng vindt, kun je beter thuisblijven. Als je niet oppast, kun je van het eten ziek worden. Mijn tip is om restaurants gericht op toeristen te vermijden, want de vaak duurdere ingrediënten worden vaak te lang bewaard. Wij proberen altijd te eten waar veel andere mensen eten en kiezen voor vastgestelde menú’s, omdat deze vrijwel altijd op de dag zelf vers bereid zijn. Verder zijn chifa’s (chinezen) en pizzeria’s meestal veilig om te eten. Borrachos (dronkenlappen) en sommige kinderen kunnen lastig zijn. Uit de buurt blijven en anders in je eigen taal schreeuwen is meestal effectief. Andere mensen schieten je vaak snel te hulp als je lastiggevallen wordt. Je komt wel altijd met mooie verhalen thuis en je ziet mooie, lelijke, bijzondere, aangename en onaangename dingen en je ontmoet veel aardige, behulpzame mensen, zeker als je wat Spaans spreekt. Je wordt regelmatig geconfronteerd met je eigen vastgeroeste gedachten en meningen. De onaangename dingen vergeet je vaak snel weer, zodat je na een poosje er weer intrapt 😉

Mobiel internet: HSDPA en redelijk goede Wi-Fi in het hostal.

De meeste foto’s zijn weer beschikbaar in
het online album.